Een indruk van een prille doorloop van SÁGA Opera van Dez Mona feat. box

Afbeelding

de clave cimbelt
de neuzelaar semmelt
messcherp kittelt
strijkstok schraapt
moed bij elkaar
komt bijna klaar
in buisklokken
in open monden
monden uit
op kladpapieren
zangstonden
bijna vergeten
een woord
op kromme poten
met achtduizend snaren
mond scheurt open
likt de wonden
woord gevonden
tong verloren
bloedend tussen nog meer snaren
die als het erop aankomt
in de echt verbonden
de solsleutel en de fa
knikken volmondig
als harmonie meezit
zilveren wonden verbonden
volmondig ja

(juni – 2011)

Geef een reactie

Opgeslagen onder Allerlei

It’s Jazz!

Ik ben maar een simpele ziel. Nee, dat is niet waar. Ik ben een mens met een complex geestelijk netwerk, maar als het gaat om het begrijpen van muziek, dan behoor ik tot een weinig gesofistikeerde oersoort. Neem nu jazzmuziek. Voor mij staan vijf jongens (meestal minder aantrekkelijk dan rockmuzikanten, maar net dat beetje hipper dan hun klassieke collega’s) hun best te doen, vaak hoofdschuddend en met de ogen gesloten. Niets in hun uiterlijke trekken verraadt iets van een logica of een uitleg van wat ik te zien krijg. Wat zeg ik, wellicht zenden ze duizenden signalen uit. Alleen spreek ik hun taal niet. Ik kijk rond me, ook het publiek schudt hoofden met gesloten ogen. Vaak de glimlach op het gezicht. Wat voelen deze mensen? Wat zien ze? Ik voel niets, buiten pijn in mijn oren als de drummer te hard mept, dus ik raadpleeg mijn verstand. De vrolijke jongens van deze groep hebben in elke songtitel een dierennaam verwerkt. Misschien is dat het: is deze muziek de soundtrack bij een verhaal, een sprookje dat ik voor me moet zien terwijl sax, rhodes, contrabas en die scherpe drums alle kanten opschieten. Ik doe de test bij een nummer over een worm. Ik sluit mijn ogen en ik zie effectief een worm op een tak kronkelen en hij ziet alle kanten van de boom. Hij maakt zelfs een buiteling in de lucht. Na anderhalve minuut zijn de mogelijkheden en de circusacts van de worm zowat uitgeput. Het nummer meandert voort. Wat nu? Ik open mijn ogen en vraag me af wat de rest van het publiek nog allemaal van plan is met de worm de komende minuten. (Waarom duren die jazznummers altijd zo lang?) Misschien zien zij helemaal geen kronkelend dier voor zich. Ik voel me belachelijk. Ik probeer muziek mooi te vinden door er een leuk verhaal bij te verzinnen, ergo: ik doe meer inspanningen dan de vijf zwetende muzikanten tezamen. Dat kan toch niet de bedoeling zijn? Intussen draaft de muziek lustig voort en af en toe applaudisseert het publiek enthousiast. Er is kennelijk iets bijzonders gebeurd. Maar wat? Ik vraag me af wat het IQ van deze mensen zou zijn. Misschien hebben ze stuk voor stuk een supermuzikale opvoeding gehad? Ik denk teveel. ‘Muziek hoor je te voelen, je moet dat niet begrijpen.’ zegt mijn vriend, zelf muzikaal genie. Ik twijfel aan zijn oordeel. Hoe kan iemand die muziek ademt, luisteren naar muziek zoals ik dat doe? Als een totale dombo? Dat kan hij niet. Alsof je naar je moedertaal kan luisteren ‘alsof je er geen letter van begrijpt’. Alle mogelijke goede intenties ten spijt, niemand in deze ruimte kan deze muziek horen zoals ik dat doe. Gewillig, maar overlopend van onbegrip. Op het grillige ritme van de scherpe drums been ik het zaaltje uit en zet me aan de toog, waar ik alle verwarring, frustratie en achtergebleven wormen overgiet met alcohol. Ze bekijken het maar. Dit is tenminste duidelijk.

10 reacties

Opgeslagen onder Allerlei

Op zoek naar Milena – The Sequel

De voorstelling ‘Op zoek naar Milena’ was een succes in Antwerpen (Zuidpool). Op 31 augustus brengt Kim een theatrale documentaire over de voorstelling tijdens het TOURdeFORCE festival, n.a.v. het Antwerpen Europese Jongerenhoofdstad 2011.

In het najaar wordt de voorstelling afgemaakt en getoond in Turnhout (De Warande) op 4, 6 en 7 oktober.

Info en tickets voor De Warande: http://www.warande.be/activiteit/kim-hertogs.

Geef een reactie

Opgeslagen onder NIEUWS!

De eerlijke fietser

Op naar de waarheid. Ik mag dan misschien 28 zijn, ik ben nog een meisje. Ik heb een meisjeslijfje, een meisjeshoofdje en mijn stem klinkt zoals een echte meisjesstem klinken moet. Fijn, hoog, breekbaar soms. Ik ben niet stoer, tot mijn spijt. Als je over mij wil heenwalsen, dan volstaat het om groot, sterk of in het bezit van brute kracht te zijn. Ik verplaats mij door de stad met een fiets. Ik vind dat fijn omdat het gezond is om te bewegen, het goed is voor het milieu en bovendien ben je met een fiets honderden keren sneller op je bestemming dan met gemotoriseerde voertuigen met meer dan twee wielen. Nu zijn er in de stad waar ik woon ook veel gemotoriseerde voertuigen met meer dan twee wielen in de weer om tijdig op hun bestemming te geraken. Bestuurders van de voertuigen in kwestie lijken allemaal op weg naar het ziekenhuis met een stervende opa of een zwangere vrouw met 8cm ontsluiting. Ik wil zeggen: ze lijken in nood. De nood blijkt zo hoog te zijn, dat ze zelfs in staat zijn om andere weggebruikers te slachtofferen om hun eigen (ingebeelde) bijzit van de dood te behoeden. Niet alleen het rijden, maar ook het stationeren gebeurt in allerijl en met uitschakeling van het besef van andere levende wezens op deze planeet. Om een lang verhaal kort te maken: ik ben het beu om van mijn fiets gereden te worden of om auto’s, vrachtwagens of opliggers te vinden in het midden van mijn fietspad. Ik heb nogal wat ervaring met deze gebeurtenissen, en mijn emmertje raakt zo stilaan vol. Ik zou graag even een luide stem van iemand lenen om deze misdadigers de huid vol te schelden, of Sugar Jacksons vuisten om met blote hand een raampje – oeps! – in te slaan, of een paar legerboots om een ferme deuk in een foutgeparkeerde Porsche Cayenne te stampen. Zo, dat is er uit. Ik ben een overtuigde pacifist en het past helemaal niet bij mijn imago om dit soort praat te verkopen, maar – eerlijk waar – louter er over spreken lucht al op. En nu ga ik mijn mond wassen en mijn banden oppompen.

6 reacties

Opgeslagen onder BZN Blogposts

De angst voor het laatste velletje

Stel: je zit op het toilet. Je moet een grote boodschap. Je kijkt naar het toiletpapier. De rol is bijna leeg. Er hangen nog hoogstens drie velletjes aan. Wat doe je?

a)  Ik gebruik de laatste drie velletjes en neem daarna een verse rol.

b)  Ik laat de laatste velletjes voor wat ze zijn en ga meteen over naar een verse rol.

Aan de mensen die ‘b’ hebben geantwoord, heb ik een vraag: wat is er mis met het laatste velletje? Boezemt het je angst in? En zo ja, waarom dan?

Ik begrijp dat niet, mensen die laatste velletjes vrezen, maar dan wel de rol – die met zijn andere verse kameraden netjes op de wc-rolhouder staat – aansnijden. Dit proces gebeurt op vele plaatsen en dus ook bij mij thuis. Ik woon alleen, dus ik kan het perfect zien wanneer iemand de praktijk heeft toegepast. Hij gaat altijd gepaard met het laten hangen van de rol met de laatste velletjes. En dus ook met het aansnijden van een verse rol die nog steeds op de verse wc-rolhouder hangt en hem daar ook bij voorkeur op laten hangen. Waardoor ik de volgende keer als ik moet, geconfronteerd word met die laatste velletjes (waar ik overigens totaal geen probleem mee heb) én met de reeds begonnen verse rol op de wc-rolhouder. Ik heb met beide rollen medelijden, dat durf ik gerust toegeven. En met pijn in het hart geef ik ze vervolgens allebei de plaats die ze verdienen. De laatste velletjes worden opgebruikt, de oude rol gaat in de papiermand en de nieuwe komt op de plaats waar hij hoort. Nu weet ik meestal wie het gedaan heeft, maar ik durf het onderwerp nooit aansnijden. Dat is net zoals vragen: ‘Vouw jij je toiletpapier op om je achterste af te kuisen? Of frommel je het tot een propje?’ Ik voel intuïtief aan dat zulke vragen not-done zijn en voel al plaatsvervangende schaamte voor ik ze durf te stellen. Per slot van rekening is het toilet een van de weinige plaatsen waar een mens zichzelf kan zijn en allerlei ranzige dingen kan doen in het grootste geheim. Als ik eerlijk ben, moet ik toegeven dat ik ook wel een toiletgeheimpje of twee heb. Maar ik laat tenminste geen sporen na. Denk ik. Misschien moet ik in deze kwestie zelf de eerste stap zetten door iets gênants te zeggen en maak ik zo ruimte voor een gesprek. Ik frommel mijn toiletpapier netjes op tot iets wat lijkt op een gevouwen hoopje, maar dan sneller. Zo goed? Kunnen we het er dan vanaf nu gewoon over hebben?

4 reacties

Opgeslagen onder BZN Blogposts

Mijn passie

De wereld is nogal omvangrijk. Je hebt een mens, de groepen waar deze mens deel van uitmaakt, de samenleving, een land, een continent, de wereld. Je kan de wereld proberen te begrijpen door hem te onderwerpen aan theorieën, wetenschap, nullen en enen. Je kan ook in Google Earth net zo lang op het plusje duwen tot je met je neus op een willekeurige kassei zit. Of op de tarmac van de luchthaven van La Paz, of op de schotelantenne van het gezin Gül in Antalya. Ik ben niet wetenschappelijk aangelegd, ik maak hoofdrekensommen met een rekenmachine en je kan mij alles wijsmaken over fysische wetten en chemische verbindingen. Dat je op de Zuidpool geen kopstand kan doen, ik zeg maar wat. Ik ben gespecialiseerd in het inzoomen op kleine, menselijke handelingen. Dat is mijn passie. Deze op het eerste zicht nutteloze activiteit helpt mij bij het begrijpen van de mensheid en van de wereld in het algemeen. En bovendien helpt ze mij bij mijn job. Ik vind het leuk om mij te verwonderen over daden. Ik verbaas me graag. Als ik niet begrijp waarom iemand iets doet, dan verzin ik zelf de verklaring. Dat vind ik leuk. Zo maak ik mijn eigen werkelijkheid. De werkelijheid die kronkelt langsheen de grillige paden van de hersenschors. Als je mee wil, dan moet je wel even goeie schoenen aandoen, de weg is nogal glad, dat snap je wel.

1 reactie

Opgeslagen onder BZN Blogposts

#7 Baaldag

Op sommige dagen loopt alles fout. Je overslaapt je. Het brood is op, het warme water in de douche werkt niet en een defecte lavabo afvoer heeft alle versgewassen handdoeken natgelekt. Je weet niet wat je eerst moet doen; met je ochtendluft de bakker vergassen of jaren wachten tot de loodgieter is langs geweest en de doorweekte handdoeken gewassen en gedroogd zijn op het rek aan het kacheltje in je living. Centrale verwarming en droogkasten zijn voor losers. Je kiest voor optie één, merkt dat het woensdag is – de sluitingsdag van alle bakkers in je buurt – en het regent onophoudelijk. De dichtstbijzijnde supermarkt is je enige optie. Met je stinkhoofd en de helft van je pyjama verstopt onder een Siberische winterjas, loop je de regisseur tegen het lijf waar je al jaren mee wilt werken. Je probeert je nog te verstoppen door je hoofd de zuivel in te duwen, maar voor je het weet, voel je zijn wakkere vingertjes op je schouder tokkelen. Als hij je verfrommelde hoofd uit de schimmelkaassectie ziet komen, verkrampt zijn lach. Als een slecht acteur doet hij alsof hij iets vergeten is bij groenten & fruit en neemt de benen. Aan de kassa voel je een winkelwagentje tegen je achterste aanrijden. Eerst zachtjes, dan met steeds hardere stoten. Als je achteruit kijkt, geloof je je ogen niet. Een 86-jarige vrouw met baard kijkt je woedend aan en schreeuwt dat je beter moet aansluiten en je aankopen op de band moet leggen. Verbolgen doe je wat ze zegt. Eindelijk is het jouw beurt. De kassabediende vraagt of je na het afrekenen nog even de petitie tegen het sluiten van de winkel wilt ondertekenen en je euro valt. Afrekenen. Geld. Shit. Diep in je Siberische jas, vind je nog een stuk van twee euro. Je kijkt naar je impulsaankopen (om de pijn van deze prille dag te verlichten had je een paar lekkernijen in je mandje gelegd) en vraagt met een paars hoofd of je enkel het brood mag afrekenen. De baardvrouw van 86 krast een resem onverstaanbare verwensingen. Met het brood onder de arm loop je terug de regen in. Het kan niet snel genoeg gaan nu. Met grote passen been je de 500 meter terug naar huis. Een auto – die blijkbaar ook grote haast heeft – scheurt je voorbij. Net dicht genoeg tegen de stoeprand om de inhoud van een gigantische modderplas je Siberische jas op te storten. Je doet zelfs niet meer de moeite om je gebalde vuist de lucht in te steken. Als je ziet dat ook de broodzak onder de drek zit, staan de tranen je in de ogen. Ik ben zielig. Ik heb een kutdag. Alles loopt mis. Je pinkt er eentje weg. Niemand ziet met dit weer of je nu huilt of niet. En dan nog, niemand geeft iets om je. Je komt thuis. Met een vochtige, muffe handdoek, veeg je de bruine plasinhoud van je hoofd. Je ruilt je pyjama in voor je lelijkste joggingbroek. Dan maar mails checken. Wie weet gebeurt er iets leuks. Slechts één nieuwe mail wacht op je. N. laat weten dat er roddels over je circuleren. Mensen denken dat je arrogant bent, dat je enige levensdoel is aan te pappen met beroemde mannen op leeftijd en zoveel mogelijk van dat soort je bed in te lokken. Nu barst de bom. Mochten je hersenen en ingewanden je lichaam uit kunnen spatten, dan was je appartement nu één bloederige ravage. Stoom komt uit je neus en oren. Je bent woest, woedend, ziedend. De roddelverspreiders ken je niet. Nooit eerder gesproken. De wereld is rot. Je belt je moeder op. Je verroert je niet tot ze een uur later bij je aankomt. Zwijgend doe je samen de afwas. Je staat zoveel mogelijk met je rug naar haar toe. Elke poging tot gesprek wimpel je subtiel af. Tot mamalief haar hand op je schouder legt. ‘Wat is er aan de hand, zusje?’ Een waterval barst los. Dit had je nodig.

6 reacties

Opgeslagen onder ELLE Columns

#6 Naar de hel met Chanel

Ik heb veel kleren. Toegegeven, ik heb gigantisch veel kleren. Als mensen de kamer binnenlopen waar deze zijn uitgestald, dan zeggen ze: ‘Oh!’ en ‘Ah!’ en ‘Dit lijkt wel een winkel!’. Dat is niet helemaal overdreven, al moeten ze beseffen dat een groot deel gekocht is in tweedehandszaken. Dat komt omdat die zaken doorgaans goedkoper zijn dan gewone winkels en omdat je daar kledingstukken vindt die niet iedereen draagt. Dat laatste is meestal ook het geval met hele dure kleren. Ik koop ze niet vaak, omdat ik het zonde vind dat ik voor hetzelfde geld een veelvoud in een andere winkel kan kopen. Dat adagium bleek onhoudbaar. Het afscheid ervan begon op de dag dat ik mijn diploma zou krijgen. In Nederland zijn diploma-uitreikingen fantastische evenementen met acts en speeches en heel veel theater. Zeker als je een diploma krijgt van een toneelschool. Mijn toenmalige Nederlandse vriend wilde deze heuglijke dag vieren met een cadeau. Hij gaf me een dure Ray-Ban zonnebril met de woorden: ‘Ik heb een willekeurige bril uit het rek genomen, liefje, kies zelf maar een bril als je terug in Antwerpen bent.’ Terug in Antwerpen ga ik dus naar die ene dure brillenwinkel in die ene straat waar heel veel dure winkels zijn. Het is een waar brillenparadijs. Buiten de willekeurige en oversizede bril die ik kreeg, hebben ze nog heel veel andere – mooiere – en ook duurdere exemplaren. Ik pas ze allemaal. Uiteindelijk valt mijn oog op een appelblauwzeegroene bril van Chanel. Het voordeel is dat hij me uitstekend staat. Het nadeel is dat deze bril meer dan het dubbele kost van de bril die ik cadeau heb gekregen. Ik beslis impulsief om de dure Chanelbril te kopen. Ik had in het verleden nooit meer dan 10€ voor een zonnebril neergeteld. Mijn duurste kledingstuk zou vanaf nu een Chanelbril zijn. Al mijn vrienden vinden de bril mooi. Ik kom niemand tegen met dezelfde bril. Na een jaar vind ik de bril nog steeds geweldig. De bril is zo apart dat hij uitstijgt boven alle modegrillen. Dat is mooi meegenomen als je €270 hebt neergeteld. Tot op de fatale dag. Het ging mis met de dure zonnebril. Het oor brak af. Niet het oor zelf, maar het fragiele, kleine metalen schroefje waarmee het oor aan de bril vast zit. Nu denk je met zo’n dure bril, zal er wel een Chanelgarantie bestaan, of toch op z’n minst een Chanelservice. Met al mijn moed en de kapotte bril ga ik terug naar de dure brillenwinkel in die ene straat. Krijg ik te horen dat ik de helft van de brilprijs mag neertellen voor een herstelling. Ik knipper even met de ogen. Doe alsof ik niets hoor. Loop door de brillenwinkel. Pas achteloos een paar nieuwe monturen en loop terug naar de winkelbediende. Hij herhaalt de boodschap. Chanel schenkt geen service. Geen garantie. Ik heb heel veel zin om dingen kapot te maken. Brillen door de winkel te gooien en ze brullend te vertrappelen. De duurste eerst. Ik weet inmiddels waar de duurste brillen zich bevinden en ik weet exact hoeveel ze kosten. Ik besef dat agressie niets oplost. Ik zie de inmiddels angstige winkelbediende van achter zijn protserige montuur hetzelfde denken, dus ik houd me in.  Ik adem rustig in en uit, zet mijn H&M bril op, stap op mijn fiets en rijd weg. Naar mijn eigen tweedehandsparadijs. En ‘no-go area’ voor Chanel vanaf nu.

2 reacties

Opgeslagen onder ELLE Columns

#5 In ♥

Ook jij bent zestien geweest. Je stond aan de rand van de dansvloer, te wachten tot die ene jongen je kwam halen voor een slow. Om dan onhandig schuifelend zijn lippen de jouwe te voelen zoeken. En vervolgens – tot schaamte van alle omstaanders – minutenlang te tongzoenen. En maar draaien. Als je zestien bent, mag dat. Als je zestien bent, hoef je je niet te schamen voor openlijke verliefdheid. Hoe ouder je wordt, hoe meer de liefde achter gesloten deuren moet beleefd worden. En laat ons daar in godsnaam blij om zijn. Verliefde mensen zijn irritant. Verliefde mensen zijn ziek. Verliefde mensen zijn egoïstisch, ze zijn blind, ze vertonen abnormaal gedrag, ze zijn onredelijk en je kan niet op hen rekenen. Laat staan dat je er een gesprek mee kan voeren. Ofwel zijn ze afwezig en luisteren ze niet naar je, ofwel betrekken ze alles wat je zegt op hun geliefde. Te midden van jouw klaagzang over je doodzieke moeder, steken ze een verhaal af over hoe hij dit of dat zei en je daar en ginder streelde. Tot overmaat van ramp zijn ze niet langer in staat goede raad te geven of wimpelen ze elk verzoek om leuke avonden met je door te brengen af. Al hun tijd is plotseling opgeslorpt door die ene Ideale Man. Jij weet nu al dat de droomwolk weldra uit elkaar zal spatten, want zoveel romantiek is zelfs in een melige Hollywoodfilm ongeloofwaardig. Toegegeven, hij is niet weinig aantrekkelijk of oninteressant. Maar de perfectie zelve waarvoor jouw beste vriendin hem verslijt, is hij hoegenaamd niet. Terwijl jij eenzaam door je huis dwaalt, valt je oog regelmatig op de telefoon. Hij kan elk moment beginnen rinkelen. De huilende vriendin met gebroken hart aan de andere kant van de lijn. Dat het zal gebeuren, staat vast. De vraag is alleen wanneer. Na een dag lang klusjes organiseren in de buurt van de telefoon, begin je te twijfelen aan de zekerheid van je vermoedens. De liefdesbubbel is nog steeds niet gesprongen. Jouw leven daarentegen, is nog steeds even saai en eenzaam. Je besluit het roer drastisch om te gooien. Alles is maakbaar. Ook jouw geluk. Je begint je huis te reorganiseren, nieuwe kleren te ontdekken in je kleerkast en je besluit eindelijk de stapel ‘nog uit te voeren ideeën’ aan te roeren. Je bent productief. Je zal de wereld eens laten zien wat je allemaal in je mars hebt. Terloops merk je dat je minstens elke vijf minuten de telefoon checkt en op de refresh-button van Facebook drukt. Waarom belt ze niet? Ook al is het om te zeggen dat alles fantastisch is? Dat hij de man van haar leven is? Dat ze overloopt van geluk en jou hetzelfde toewenst? Je baalt. Je begint te eten. Chocoladetaart en zebrakoekjes en Borstbollen. Plots wenste je dat je oma nog leefde zodat je haar een bezoekje kon brengen en je hele leven voor haar op tafel kon leggen. Dat vond ze leuk. Zo lang er maar iemand aan het woord was, was ze tevreden. (Of ze daadwerkelijk luisterde naar je klaagzang, heb je nooit zeker geweten.) Je begint door je adressenlijst te scrollen, op zoek naar andere mensen die aanspraak kunnen maken op de status ‘beste vriendin’. Niemand voldoet aan alle criteria. Je baalt nog meer. Bovendien is al het eten op en durf je niet naar de winkel, uit angst net dat ene, verlossende telefoontje te mislopen. Je hebt de moed niet om haar zelf te bellen. De vrees voor de directe afwijzing is te groot. Luttele seconden na je besluit om haar een mail te sturen, hoor je het signaal van een binnenkomende mail. “Lieve vriendin, sorry voor mijn afwezigheid. Ik wist niet dat het mogelijk was, maar ik ben in de hoogste sferen der verliefdheid. Hij is alles. Hij is meer dan dat. Ik kan het nauwelijks beschrijven, dus zal ik het vooral beleven. Als ik er klaar voor ben, vertel ik je alles. Zie je snel. Kus, Kim.”

3 reacties

Opgeslagen onder ELLE Columns

#4 Tom Waits Forever

Ik ken veel mannen. Eén ervan is Tom Waits. Mijn eerste liefde kwam ermee aanzetten. Hij nam Tom mee tussen de lakens. We waren 18. Hij studeerde Russisch en aanbad de zanger met het krassende, brommende stemgeluid. Ik sputterde tegen, maar het had geen zin, het was mét Tom of het was niet. Ik gaf me over aan de liefde en aan Mister Waits. ‘Closing Time’ stond gelijk aan nachtenlang plezier en dankzij de repeatknop kwam er nooit een eind. Althans, dat dacht ik. Hij ging weg. Het verzamelde werk van Dostojewski onder de arm. Hij wilde leven zoals Tom. Hij zocht rokerige bars, liters whisky, ontstuimige vrouwen en miljoenen zelfgerolde sigaretten. Hij zocht onophoudelijk nachtelijk vertier in een eeuwige roes. Ik stond met open mond naar de deur te staren die hij achter zich had dichtgetrokken. Ik geloofde nauwelijks dat hij dat zojuist had gedaan. Ik draaide me om. Ik zag Tom. Zwijgend was hij in een hoekje achtergebleven. Ik wilde hem nog snel oprapen en achter de gevluchte man aangooien, maar Tom hield me tegen. Hij raakte m’n schouder aan en knikte instemmend. ‘Het is goed zo’, zei hij. Ik begreep hem niet. Hoe kon hij nu in mijn meisjesroze huis en mijn banale leven blijven? Hij moest dáár zijn. Dáár, in die bars met die rook en die vrouwen. ‘Niks van’, zei Tom, ‘been there, done that. Ik blijf hier bij jou. Samen gaan we het leuk maken.’ Ik werd bang. Ik had wel eens een documentaire van een rock-’n-roll-legende op de tv gezien. Het wilde leven dat deze mensen achterna holden, leek geen greintje op het mijne. Ik wist niet welke voet eerst te verplaatsen. Elke beweging werd minutieus gevolgd door Toms priemende ogen. Ik kon niets anders denken dan dat ik het niet goed deed. Het was te saai, te flauw, te burgerlijk en te weinig stoer. Mijn leven had niks dat geurde naar rock-‘n-roll. Ik kon m’n kleren af en toe wel eens uitdoen, maar ik kon me niet voorstellen dat het genoeg was. Toch bleef Tom. Hij riep vroegere nachten op in zijn fantasie. Maakte liedjes over wat voorbij was. Rookte een sigaar bij de haard en murmelde wat over godverdomse voorbije dagen en over dat hij mij liefhad en zo. We werden gezellen. Het werd gezellig. Samen keken we vanuit onze knusse huiskamer naar de heen en weer vliegende pannen van de buren. Inboedels die ramen uit werden gegooid. Televisie en stereoketen vlogen achterna. Boven op de puinberg stak een gebroken gitaar. Geen enkele snaar was nog heel. Heavy. ‘Veel muziek zou daar ook niet meer uitkomen’, schatte Tom. Ik lachte, taxeerde. Ik dacht aan Martha, aan Rosie aan de Ice Cream Man. Ik besefte dat Frank’s Wild Years voorbij waren en vroeg me af hoe het de student Russisch was vergaan. Ik vroeg me af of hij inmiddels een gedreadlockte of getatoeëerde griet in zijn sofa had weten te slepen. Of hij een spannend leven had gehad. Hij zou nu kunstenaar of schrijver zijn en met het verdiende geld en een volkswagenbusje heel de euraziatische grens aftuffen, hippiegewijs. Af en toe zou hij Olga of Nastassja bij een grensovergang inruilen voor een ander exemplaar. Steeds nieuwe mensen, steeds andere plaatsen. Een rollende steen die nergens tot rust komen kan. Een steen die zijn weg baant door de levensrivier. En als alle scherpe randjes er van afgesleten zijn, sterft in de schoot van de nooit aflatende stroom. Net te vroeg om de grote, onpeilbare oceaan in te glijden. ‘Dat heb je mooi gezegd’, mompelde Tom. ‘In the end, we’re all gonna be just dirt in the ground.’

3 reacties

Opgeslagen onder ELLE Columns